Anita van der Hulst

Roma en Sinti. Op de onderste tree van de maatschappelijke ladder

De ongebonden zigeunerfamilie, die met kleine handeltjes en al bedelend, stelend en waarzeggend rondtrekt, die het liefst in de open lucht slaapt en ’s avonds bij een kampvuur zijn viool laat janken, dat is het beeld van Roma en Sinti dat verankerd is geraakt in het collectieve bewustzijn. En dat beeld wordt nauwelijks weersproken. Bijvoorbeeld in Nederland is er geen eigen intelligentsia om hardnekkige vooroordelen te logenstraffen. Geen eigen Prem Radhakishun of Ali B die een aanzienlijke achterban vertegenwoordigen die kans zag om gebruik te maken van een betere toegang tot hoger onderwijs voor kinderen van lagere komaf. Maar waarom profiteren Roma en Sinti daar dan niet van?

Roma en Sinti vormen de grootste minderheid in Europa. In Oost-Europa, waar het gros van de Roma na de Wende in bittere armoede leeft, zijn meer Roma met een hogere opleiding dan in het rijke Nederland. Maar daar blijven succesvolle Roma doorgaans niet in de gemeenschap leven. Roma met een geslaagde loopbaan leven onzichtbaar te midden van hun eigen sociale klasse en worden door de achterblijvers ook niet meer beschouwd als één van hen. Het pijnlijke is dat dan het odium van armoede, bedelen en kleine criminaliteit blijft bestaan. En voor de kinderen betekent het dat ze opgroeien in een omgeving zonder een rolmodel om zich aan op te trekken. En dus gaan ze nauwelijks naar school.

Maar ook in Nederland, waar we in vergelijking met Oost-Europa een leven leiden dat van alle gemakken is voorzien, schatten Roma en Sinti ouders het belang van een goede opleiding niet op waarde. Ze zijn bang dat kinderen door de invloed van school hun culturele eigenheid verliezen. Roma en Sinti lijken zich zo veel mogelijk afzijdig te houden van de rest van de maatschappij. Historisch gezien zijn zij naar de marge van de samenleving verdrongen door achterstelling, verbanning, vogelvrijverklaring en genocide. Ooit verdreven naar de randen van de maatschappij lijkt het er nu op dat Roma en Sinti in Europa enigszins krampachtig vasthouden aan die marginale positie. Een diep geworteld wantrouwen tegenover de burgermaatschappij is inmiddels een overlevingsstrategie geworden. Is dat wantrouwen terecht? Betekent maatschappelijke integratie voor Roma onvermijdelijk dat ze afstand nemen van het eigen milieu?  En wat zou een overheid moeten doen om bij hen het inzicht te doen groeien dat onderwijs de sleutel vormt voor sociale mobiliteit? Dat wil ik gaan onderzoeken, in Nederland en ter vergelijking ook in een Oost-Europees land, in Tsjechië.


Ik heb ruim twintig jaar bij de Publieke Omroep gewerkt, de laatste tien jaar vooral bij Radio 1, en daar hield ik me bezig met de meest uiteenlopende onderwerpen onder een voortdurend harde deadline. Een gemis aan diepgang begon aan mij te knagen. Voorjaar 2013 besloot ik me aan te melden bij het CRK Campus Den Haag met een onderzoeksvoorstel waarin ik mijn interviewervaring wil verzilveren. In wetenschappelijk onderzoek komen Roma en Sinti niet of nauwelijks zelf aan het woord. Voor dit onderzoek wil ik proberen om vanuit hun ogen een beter beeld te krijgen van het eigen toekomstperspectief van Roma en Sinti in Nederland en Tsjechië.

Inmiddels heb ik een promotor: Paul Cliteur, hoogleraar encyclopedie van de rechtswetenschap bij de Faculteit der Rechtsgeleerdheid. Hij geldt als een begeleider met een open blik, als een persoonlijkheid die andere opvattingen naast zich duldt zo lang een promovendus maar in staat is zijn visie met argumenten te omkleden. Dat biedt grote academische vrijheid en dat spreekt me zeer aan.

 
Laatst Gewijzigd: 26-03-2014